7.2.2(2). Patho-anatomie en Pathofysiologie (Lamoré) (revisie 2008)Voor de anatomie van het normale gehoor wordt verwezen naar de hoofdstukken van Rubriek 3 en voor de fysiologie naar Rubriek 6. Zie ook Hfdst.7.3.2. Inhoud:
7.2.2.1(2). InleidingIn dit hoofdstuk ‘Patho-anatomie en Pathofysiologie’ wordt uitgelegd op welke wijze enkele ‘ziekten van het oor’ (het onderwerp van deze Rubriek 7) terug te voeren zijn op anatomische en fysiologische defecten in het auditieve systeem. Een en ander wordt besproken aan de hand van voorbeelden. Bij elk van deze voorbeelden (‘ziekten’ –‘audiologische problemen’) komen drie aspecten aan de orde:
Een overzicht van zelfs alleen de belangrijkste vormen van disfunctioneren van het gehoor is binnen het bestek van één hoofdstuk niet te geven. Een aantal ‘ziekten van het oor’ komt in de hoofdstukken van Rubriek 7 afzonderlijke aan de orde. De voorbeelden in dit hoofdstuk zijn vooral gekozen omdat goed beeldmateriaal beschikbaar was.
7.2.2.2(2). Uitwendige kenmerken1. Oorschelpdysplasie - frommeloorschelp – microtia
2. Atresie van de uitwendige gehoorgang
In dit geval is er een atresie van de rechter uitwendige gehoorgang (links op de foto’s). Het linker oor is normaal. Fig.3 laat een voor een dergelijke atresie, karakteristiek audiogram zien. Bij een atresie beiderzijds is het, om redenen van een goede ontwikkeling van gesproken taal en spraak, noodzakelijk geluidsversterking toe te passen, rekening houdend met de al dan niet aanwezige perceptieve gehoorverliezen. Dit kan met behulp van een beengeleider, of d.m.v. een ‘Bone Ancored Hearing Aid’ (BAHA – zie Hfdst.9.3.1, niveau 2). Een operatieve reconstructie van het conductieve auditieve systeem wordt meestal niet eerder dan op de leeftijd van 5 jaar uitgevoerd en wordt op basis van de uitkomsten van CT-scans zorgvuldig voorbereid.
3. Voorbeeld van een syndromale aandoening – Het syndroom van Waardenburg
Deze kenmerken zijn niet altijd alle vier aanwezig. Er zijn twee typen, type I mét dystopia canthorum en type II zónder dystopia canthorum. Slechthorendheid komt bij type I in 25% van de gevallen voor en bij type II in 50% van de gevallen. Slechthorendheid is dus niet altijd aanwezig. Het perceptieve gehoorverlies [3] bij Waardenburg wordt veroorzaakt door een aanlegstoornis van de vliezige cochlea. Er zijn geen tekenen van progressie. Bij type I is het gehoorverlies (in 25% van de gevallen dus) zeer ernstig tot totaal. Bij type II is het gehoorverlies – indien aanwezig – minder ernstig. Wél komt herhaaldelijk eenzijdige doofheid voor. De prevalentie van het syndroom van Waardenburg is in de USA 1 per 42000. Het is de oorzaak van 2-3% van de gevallen van aangeboren doofheid (bron: http://www.emedicine.com/ped/topic2422.htm). Voor verdere informatie zie speciaal http://www.homepages.hetnet.nl/~b1beukema/ziekandere.html
7.2.2.3(2). Middenoor1. Trommelvliesperforatie
Een bij een dergelijke perforatie passend audiogram en tympanogram zijn te zien in Fig.5. Deze perforatie leidt ertoe dat men bij het meten van het tympanogram geen ‘druk’ kan opbouwen. Het tympanogram is geheel vlak en het instrument geeft een stabiel maar wel (ver)groot volume van de afgesloten gehoorgang aan.
2. Otitis media met effusie - OME
De vloeistof, zeker wanneer deze verdikt is, maakt dat het trommelvlies niet meer voldoende beweeglijk is. Het gevolg is een licht tot matig – conductief – gehoorverlies zoals te zien is in Fig.7. Het bijbehorende tympanogram illustreert de beperkte beweeglijkheid van het trommelvlies.
Behandeling vindt vaak plaats door middel van plaatsing van een ‘trommelvliesbuisje’ (Fig.8). Dit is een diaboloachtig knoopje van kunststof dat de ontluchtingsfunctie van de buis van Eustachius overneemt.
3. Otosclerose
Een karakteristiek verschijnsel in een audiogram behorend bij otosclerose is de ‘piek’ in de drempel voor de beengeleiding bij 2000 Hz (Fig.9). Deze piek heet de ‘Carhart notch’. De Carhart notch, die alleen in de drempel van de beengeleiding te zien is, is geen indicatie van een verslechterde cochleaire functie bij die frequentie. Verantwoordelijk voor het optreden van de piek is het wegvallen van enkele van de meerdere mechanismen – bij stimulatie met de beengeleider – die verantwoordelijk zijn voor de overdracht van de trillingen van het omringende bot naar het binnenoor. Deze overdracht is nog steeds grotendeels onduidelijk, vooral omdat die mechanismen elkaar beïnvloeden. Bij één ervan worden de gehoorbeentjes in trilling gebracht door de trillingen van het omringende bot. Bij otosclerose, waarbij de beweging van gehoorbeentjes geblokkeerd is, vervalt deze bijdrage. Ook de directe overdracht van de trillingen van het bot op de vloeistof in de cochlea is beperkt, want de vastzittende stapes onderdrukt deze vloeistofbewegingen. Er treedt in elk geval een verzwakking op van het via de beengeleider overgedragen geluid, m.n. bij frequenties rond 2000 Hz.[7] Een operatie (‘stapedectomie’) kan een oplossing bieden. De stapes wordt dan verwijderd, vervangen door een stijgbeugeltje van kunststof en verbonden met de incus. Tegenwoordig wordt meestal niet meer de hele stapes verwijderd, maar wel de ‘beugel’, en wordt er een gaatje in de voetplaat geboord waarin de steel van de prothese past (Fig.10). De prothese heeft de vorm van een piston en wordt met een haakje aan het aambeeld vastgemaakt (als die nog intact is). Dit noemt men ‘stapedotomie’. Daarmee wordt de kans op een perceptief gehoorverlies als gevolg van een lekkage van binnenoorvloeistof verminderd.
Het komt bij otosclerose ook voor dat de drempel helemaal niet verslechterd is, of dat er bij bepaalde frequenties een lichte verbetering in de beengeleidingsdrempel is opgetreden. Men kan dit aannemelijk maken door zich voor te stellen dat de meerdere mechanismen elkaar ‘in balans houden’. Wanneer één of meerdere wegvallen hangt de uitkomst af van welke er zijn weggevallen.
7.2.2.4(2). Binnenoor1. Perceptief gehoorverlies - Uitval van haarcellen en zenuwvezels
De uitval van zenuwvezels bij een ‘binnenoorslechthorendheid’ wordt voorafgegaan door een geleidelijke uitval van de buitenste haarcellen. Fig.12 geeft een vergelijking van een stukje ‘normaal’ orgaan van Corti en een ‘aangedaan’ stukje. In de linker afbeelding zijn de intacte drie rijen buitenste en één rij binnenste haarcellen te zien. In de rechter afbeelding is een groot deel van de cilia (haren) van de buitenste haarcellen verdwenen. Daarmee zijn die haarcellen niet meer functioneel. Het betreft hier het orgaan van Corti van een cavia. Omdat in de rechter afbeelding de cilia langer zijn dan links, correspondeert de rechter afbeelding met een relatief laag frequentiegebied. In dat frequentiegebied zal dus een – perceptief – gehoorverlies aanwezig zijn.
2. Endolymfatische hydrops – ziekte van Ménière
Veel patiënten klagen ook over een drukgevoel of een vol, verstopt gevoel in het oor. Vaak gaat dit gevoel vooraf aan een aanval. In aansluiting op de eerste aanval, maar soms later, ontstaat een perceptief gehoorverlies. Dit gehoorverlies is in het begin vrijwel altijd in één van de twee oren het duidelijkst aanwezig. Vooral in het begin van de ziekte kan de ernst van de slechthorendheid nogal wisselen.
Het is waarschijnlijk dat de ziekte van Menière gerelateerd is aan een ‘endolymfatische hydrops’. Dit is een sterke vergroting van de endolymfatische ruimte in het slakkenhuis zoals afgebeeld in Fig.14 (zelfde figuur als Fig.2 in Hfdst.7.2.6). De oorzaak van deze ophoping van endolymfe en de wijze waarop dit de verschillende symptomen beïnvloedt is nog niet bekend.
Men heeft wel gedacht dat er een vermenging optreedt van de endolymfe, die onder grote druk staat, met de perilymfe in de aangrenzende scala vestibuli als gevolg van scheurtjes in het membraan van Reissner. Deze scheurtjes zouden weer dicht kunnen groeien. Een bezwaar tegen deze verklaring is dat dit membraan zeer elastisch is en wel enige druk aan kan. Een andere mogelijkheid is dat de grote druk in de scala media invloed heeft op de perilymfe in de scala tympani aan de onderkant, waar zich de haarcellen bevinden. 3. Perceptief gehoorverlies - Brughoektumoren
Fig.16 geeft aan de hand van een ‘artist’s impression’ een goed inzicht waar een acusticus neurinoom precies is gesitueerd (in dit geval in het rechter gedeelte van het hoofd van de patiënt). Omdat in de brughoek, in de inwendige gehoorgang, ook de nervus facialis (N.VII) loopt kan een brughoektumor ook een aangezichtsverlamming geven.
Fig.17 geeft een MRI scan van een brughoektumor aan de rechterzijde van de patiënt, tegenover de plaats waar de tumor in Fig.15 zich bevindt.
Het perceptieve gehoorverlies - ook ‘retrocochleair’ gehoorverlies genoemd - ontstaat als gevolg van druk die de tumor uitoefent op de zenuw. Een voorbeeld van een audiogram bij een acusticus neurinoom is te zien in het linker gedeelte van Fig.18. De asymmetrie is een belangrijke indicatie voor een tumor, in dit geval een acusticus neurinoom. Een tweede indicatie is de toename in het aangedane oor van de luidheid van een toon wanneer het de toon sterker wordt gemaakt. Dit verloop is afgebeeld in de middelste van de drie afbeeldingen in Fig.18.
Om de luidheid in het aangedane oor te bepalen is gebruik gemaakt van een vergelijking van de toon in dat oor met die van eenzelfde toon, aangeboden aan het normale andere oor. Het luidheidsniveau wordt dan uitgedrukt in de sterkte van die vergelijkingstoon. Het meest opvallende in deze middelste figuur is dat de luidheid gelijk op loopt met het niveau van de toon in het goede oor. Dit is abnormaal omdat bij cochleaire gehoorverliezen de luidheid ‘versneld’ toeneemt en het normale verloop opzoekt (‘recruitment’). Het tabelletje rechts in Fig.18 geeft weer hoe de vergelijking van de luidheden tot stand is gekomen. De zojuist beschreven methode om luidheden te vergelijken (bij aanwezigheid van één normaal oor) heet de Fowler test (niet meer in gebruik). In het algemeen is bij een ruimte innemend proces het spraakverstaan in het aangedane oor veel slechter dan men op basis van het audiogram - en denkend aan een cochleair verlies - zou verwachten. De maximale discriminatiescore kan wel 50% en minder zijn. Men heeft wel als regel gehanteerd dat wanneer het maximale discriminatieverlies in procenten meer bedraagt de grootte van het gehoorverlies in dB (Fletcher Index) er een sterke indicatie is voor een retrocochleaire slechthorendheid. Ook wordt in die gevallen geen stapediusreflex gemeten. Zie verder Hfdst.8.3.12(2). De aanwezigheid van een acusticus neurinoom of van een brughoektumor kan vooral geïndiceerd worden op basis van de uitkomst van een BERA onderzoek, wanneer de latentietijd van met name piek V significant vergroot is. MRI is echter de ‘gouden standaard’.
7.2.2.5(2). Linkswww.american-hearing.org/name/acoustic_neuroma.html www.kno.nl/voorlichting/index.php www.emedicine.com/ped/topic2422.htm www.erfocentrum.nl/arts/zena/morb_arts.php www.fdg.unimaas.nl/lod/7doof.htm www.staringcollege.nevenzel.com/6V008.html (erfelijkheid) www.erfocentrum.nl/erfelijkheid/chromosomen.php (erfelijkheid) http://www.radpod.org/author/frank/ (images) http://www.kno-care.nl/item.html&objID=3161 KNO-Care; Website KNO artsen Den Haag
7.2.2.6(2). VerwijzingenVoor literatuur zie niveau 3.
[1] Genoemd naar de Nederlandse oogarts en geneticus P.J. Waardenburg. De publicatie dateert uit 1951. [2] Bron: proefschrift Hageman, 1975. [3] Zie Cremers, Hageman en Huizing (‘Erfelijke doofheid en slechthorendheid’, 1982) [4] Vroeger werd vochtafvoer uit het middenoor bespoedigd door een ‘paracentese’ (trommelvliessnede). Omdat dit een uiterst pijnlijke ingreep is wordt deze tegenwoordig niet meer toegepast. [5] In de tympanogrammen in dit hoofdstuk is gecompenseerd voor het volume van de gehoorgang. Dit betekent dat hier de maximale compliantieniveaus lager liggen dan in de tympanogrammen in Hfdst.8.3.1(2), waar niet gecompenseerd is. Voor details over dit onderwerp zie Hfdst.8.3.1(3), Par.1. [6] Website KNO artsen regio Den Haag (‘KNO-Care’) [7] Bij het vastzitten van de middenoorketen is de massa van de keten vergroot. Een vergroting van deze massa betreft de ‘traagheidscomponent’ van de beengeleiding en heeft tot gevolg dat de resonantiefrequentie van het systeem verschuift naar een frequentie beneden de normale 1000 Hz. Dit betekent dat frequenties boven de 1000 Hz minder goed worden overgedragen en er daar een verslechtering van de beengeleidingsdrempel optreedt. Het komt bij otosclerose ook voor dat de drempel helemaal niet verslechterd is, of dat er bij bepaalde frequenties een lichte verbetering in de beengeleidingsdrempel is opgetreden. Men kan dit aannemelijk maken door zich voor te stellen dat de meerdere mechanismen elkaar ‘in balans houden’. Wanneer één of meerdere wegvallen hangt de uitkomst af van welke er zijn weggevallen. [8] Men gebruikt ook wel het woord ‘neuronoom’ i.p.v. ‘neurinoom’. In het Engels (USA) is het in elk geval ‘neuroma’. |