Audiologieboek
Home Leerboek  |   Home NVA  |   Print deze pagina  |    |    Zoeken  
 Titel: 8.4.1(2). Vroege ontwikkeling van het horen bij kinderen – Het testen van het gehoor
 Auteur: Hoekstra
 Revisie: 2014

Inhoud:

8.4.1.1(2). Inleiding

8.4.1.2(2). De vroege ontwikkeling van het horen

8.4.1.3(2). Ontwikkeling van de oriëntatiereflex

8.4.1.4(2). Kritieke periode

8.4.1.5(2). Overzicht meetmethoden

 

8.4.1.1(2). Inleiding

Een gehoorstoornis betekent voor een kind niet alleen dat het onvoldoende kennis kan nemen van zijn omgeving en een beperking ondervindt in de communicatie met die omgeving, maar tevens dat er een vertraging of zelfs stagnatie optreedt in de ontwikkeling van de taal en de spraak. De mate van vertraging hangt af van de omvang van de stoornis. Het testen van het gehoor op jonge leeftijd maakt het mogelijk te bepalen of het gehoor een belemmerende factor vormt bij de communicatie. In dat geval kan vroegtijdige interventie met hulpmiddelen en adequate begeleiding ingezet worden. Hoorrevalidatie - wanneer dat noodzakelijk blijkt - verbetert niet alleen de communicatie maar kan ook een aanwezige of dreigende stagnatie in de ontwikkeling van taal en spraak opheffen.


De mogelijkheden om het gehoor van een zeer jong kind te testen zijn sterk afhankelijk van de fase waarin de ontwikkeling van zijn/haar horen zich bevindt en van de wijze waarop het kan reageren. Er zijn daarom verschillende meetmethoden beschikbaar. Voor het beoordelen van de vraag wanneer welke meetmethode het beste toegepast kan worden is het van belang inzicht te hebben in de normale hoorontwikkeling. In de volgende paragrafen wordt een kort overzicht gegeven van de normale ontwikkeling van het horen. Vooral gedurende de laatste decennia is veel bekend geworden over de vroege ontwikkeling van het horen, zowel wanneer het gehoor normaal is als wanneer er een gehoorstoornis aanwezig is.


 


8.4.1.2(2). De vroege ontwikkeling van het horen


Organische en neurologische ontwikkeling


Hoorontwikkeling vanaf de conceptie:

  • Met acht weken is de cochlea aangelegd
  • Het horen begint waarschijnlijk rond 20 weken
  • Rond 24-25 weken zijn ‘auropalpebrale reflexen’ en BERA’s te meten
  • Vanaf 29-30 weken zijn emissies, TEOAE’s (‘Transiently Evoked Otoacoustic Emissions’) en DPOAE’s ('Distortion Product Otoacoustic Emissions) opwekbaar.

Stadium van ontwikkeling bij de à terme geboorte:

  • Cochlea: Volledig aangelegd
  • Middenoor: Bijna volledig aangelegd
  • Buitenoor: Bijna volledig aangelegd
  • Neurale deel: Nog in ontwikkeling.

Hoorontwikkeling na de à terme geboorte:
De ontwikkeling van het gehoor na de geboorte betreft voor het overgrote deel de neurale ontwikkeling. De neurale ontwikkeling hangt samen met de myelinisatie van de neuronen. Dit houdt in dat de neuronen omhuld worden met een laagje ‘vettige’ cellen (cellen van Schwann) die voor isolatie zorgen en voor een verhoging van de neurale geleidingssnelheid. In de periode direct na de geboorte gebeurt dit bij de vitale en perifere structuren, de myelinisatie van de meer centrale structuren gaat nog door tot de jongvolwassenheid. Naast deze axonale myelinisatie treedt groei van de dendrieten op en is sprake van een toename van de synaptische efficiëntie. Deze ontwikkeling uit zich in een uitbreiding van de typen reacties op geluid en in een afname van de geluidniveaus die nodig zijn om reacties op te roepen.


Prenatale geluidswaarneming.


De geluiden waar een foetus aan blootgesteld wordt zijn vooral interne geluiden, dwz. geluiden afkomstig van de moeder. Deels zijn deze ritmisch van aard (hartslag, ademhaling, loopgeluiden en bepaalde spraakpatronen) deels niet ritmisch (slikken, borrelgeluiden en geïsoleerde spraakklanken). Uiteraard dringen ook geluiden van buiten in de baarmoeder door, maar deze zijn in belangrijke mate gedempt. Onderzoek (Parncutt, 2006) duidt op een verzwakking van ca. 30 dB in combinatie met low-pass filtering vanaf 1 kHz. Spraak is dan onverstaanbaar, maar kenmerken als intonatie (stemmelodie), timing fenomenen en sterkte verhoudingen zijn waarneembaar. Dat de foetus externe geluiden kan detecteren blijkt uit veranderingen van hartslag en motorische reacties. Het herkennen van moeders stem door neonaten, vooral als die gefilterd ten gehore wordt gebracht, is hier een gevolg van. Verder laat recent onderzoek zien dat baby’s huilen op de toon van moeders taal (Mampe et al, 2009).


Postnatale ontwikkeling van het horen.


De gehoordrempel
Zeer jonge kinderen (baby’s) reageren nog niet op heel zachte geluiden, terwijl met objectieve audiometrie (BERA) normale drempels - vergelijkbaar met die voor volwassenen - gevonden worden. De subjectieve gehoordrempels zijn dus, vergeleken met die van normaalhorende volwassenen, verhoogd. Geleidelijk aan neemt de ‘gehoorscherpte’ toe. Deze postnatale verscherping van het horen wat betreft de subjectieve gehoordrempels verloopt in twee stappen. In het eerste halfjaar treedt een snelle verlaging op van deze gehoordrempels in het bijzonder die voor de hoge frequenties. Daarna verloopt de ontwikkeling langzamer, tot uiteindelijk pas rond het tiende levensjaar volwassen waarden worden bereikt voor ook de lage frequenties. Zie Fig.1. De drempelcurven in deze figuur zijn samengesteld uit onderzoeksgegevens van meerdere onderzoeksgroepen (Weir, Olsho, Trehub).


Fig.1. Reactiedrempels als functie van de leeftijd (ontleend aan Werner and Marean, 1996)

De snelle vroege ontwikkeling komt door volgroeiing van het middenoor en door de rijping van het neurale gedeelte van de gehoorbaan. De verbetering die daarna nog optreedt, is enerzijds het gevolg van verdere verbetering van de middenoorfunctie, anderzijds ook van de vaardigheid om steeds beter gericht te luisteren. Niet-zintuiglijke factoren als aandacht en motivatie spelen bij deze veranderingen in de subjectieve gehoordrempel geen doorslaggevende rol.


Een en ander houdt in dat de relatie die er voor volwassenen bestaat tussen objectieve drempels, zoals gemeten met de BERA, en de subjectief gemeten drempels kennelijk voor individuen in ontwikkeling niet opgaat. Wat met binnenkomende informatie gedaan kan worden hangt af van de mate van ontwikkeling (Werner et al., 1993 en 1994). Bij muizen zijn vergelijkbare veranderingen gezien in de hoordrempel als functie van de leeftijd (Ehret, 1976).


Het gebruik van de term 'leeftijdsadequate drempel' (LAD) zou misschien te prefereren zijn. Daarmee wordt in ieder geval recht gedaan aan het feit dat het nog niet beter kan. Dus dat je bij een subjectieve gehoortest geen betere drempels mag verwachten bij zeer jonge kinderen.


Toch noemt men in de dagelijkse klinische praktijk dergelijke ‘verhoogde’ drempels het liefst reactiedrempels. In het woord reactiedrempel ligt besloten dat het vooral de reactie op geluid is die nog niet gerijpt is en dat men aanneemt dat zachtere geluiden door het auditief systeem verwerkt kunnen worden. Immers, zonder deze verwerking zou er geen goede hoorontwikkeling mogelijk zijn. Door gebruik van de term reactiedrempel is tevens duidelijk dat er nog correctiefactoren nodig zijn om van de gemeten drempel tot een drempelwaarde te komen die vergeleken kan worden met die van coöperatieve volwassenen. Dat is met name van belang als de drempelwaarde nominaal als input van een hoortoestelaanpassingsprogramma gebruikt gaat worden. In rapportages (aan derden) zal expliciet vermeld moeten worden of uitkomsten van een subjectieve drempelmeting afwijken t.o.v. de norm voor de leeftijd.


De reactiedrempels die in de klinische praktijk worden gemeten (Tabel I) laten dezelfde trend zien als die in Fig.1. Het feit dat ze gemiddeld hoger zijn dan Fig.1 is voornamelijk het gevolg van het gebruik van verschillende meetmethodes, o.a. het feit dat deze in een vrije veldsituatie gemeten zijn.


Leeftijd (postnataal) Reactie(s) Drempel in dB SPL
Maanden 0-3 ‘Moro schrikreflex’
Wakker worden
90 (vanuit rumoer)
50-70 (vanuit stilte)
Maanden 3-4 Rudimentaire hoofddraai 50-60
Maanden 4-7 Volledige horizontale hoofddraai 40-50
Maanden 7-9 Draai en indirect naar beneden 30-40
Maanden 9-13 Draai opzij of naar beneden 25-35

Tabel I. Overzicht van de postnatale ontwikkeling van het horen. Gegevens Northern en Downs, 1991.


De ontwikkeling van de hoorfunctie
De ontwikkeling van het horen is een langdurig proces. Eigenlijk strekt dit proces zich wel over ca. 15 jaar uit. We kunnen daarin een drietal periodes onderscheiden. Deze indeling is vooral gebaseerd op de ontwikkeling van de auditieve waarneming, maar loopt synchroon met neuronale ontwikkelingen.De drie stadia zijn:


  1. Leren coderen van de auditieve input
  2. Selectief leren horen
  3. Verschillende aspecten van geluid flexibel leren gebruiken onder wisselende luisteromstandigheden.

De eerste periode beslaat de eerste zes levensmaanden en loopt synchroon met de afbouw van het middenoor en de rijping van de hersenstam. De tweede periode loopt van zes maanden tot ca. 5 jaar en de derde periode strekt zich daarna nog over ca. tien jaar uit. In deze laatste periode treedt rijping van de auditieve cortex op en wordt de centrale verwerking verfijnd.


Een baby moet wijs zien te worden uit een grote hoeveelheid zintuiglijke informatie die hij/zij vanaf de geboorte te verwerken krijgt. Naast leervermogen heeft hij/zij daarvoor een aantal luistervaardigheden meegekregen die hem/haar in staat stellen complexe auditieve structuren te ontrafelen. In de eerste zes levensmaanden treedt rijping van het auditief systeem voor de codering van spectrale en temporele eigenschappen van geluid op. Codering van geluidsintensiteit neemt meer tijd in beslag. De baby beschikt rond de leeftijd van zes maanden nog over een tamelijk vage representatie van geluid. Auditory Scene Analysis (in Hfdst. 2.5.1 ‘Patroonperceptie’ genoemd) is bij baby’s in principe dezelfde als bij volwassenen. Ze kunnen er vaak nog geen (optimaal) gebruik van maken.


Baby’s hebben een breedband luisterstrategie. Dit heeft voordelen als je de ‘code’ nog niet kent. Het brein is ook nog onvoldoende ontwikkeld. Er zijn in de aangeboden geluiden grotere veranderingen in frequentie en intensiteit nodig om bewust waargenomen te worden. Naarmate de relevante kenmerken in geluid, bv. die eigen zijn aan de moedertaal, bekend raken zal het kind selectiever gaan luisteren. Dit gebeurt rond 9 maanden. Het kind leert geleidelijk verwachtingspatronen te ontwikkelen. Stoorgeluiden blijven echter zeker nog tot de leeftijd van vier à vijf jaar een grotere invloed hebben dan bij volwassenen, die selectief hebben leren luisteren om informatie aan complexe signalen te onttrekken.


Het auditieve leren en dus de ontwikkeling is actief. De baby verkrijgt informatie door actieve interactie met zijn omgeving. Baby’s hebben grote aandacht voor sprekende gezichten. Ze merken inter-sensorische correspondentie op, zonder die overigens te verwachten.


Vanaf de leeftijd van zes maanden treedt dan toenemende specificiteit en economie van auditieve perceptie op. Baby’s ontdekken dan orde in de stroom van akoestische informatie. Statistisch leren speelt een rol bv. bij segmentatie lopende spraak. Een en ander resulteert in een toenemende flexibiliteit van auditieve waarneming (aanpassing informatie verzameling aan de omgeving).


Enkele auditieve vaardigheden tot één jaar:


  • Vanaf de geboorte reageren baby’s beter op de stem van de moeder dan op die van andere personen. Niet duidelijk is welke kenmerken in de spraak of de stem van de moeder dit veroorzaken. Mogelijk is het de combinatie van horen en zien, omdat de reacties afnemen (de baby's zich minder prettig voelen) wanneer de moeder ‘uit beeld’ is.
  • Vanaf de geboorte, maar ook al daarvoor, kunnen kinderen suprasegmentele kenmerken van spraak, zoals ritme en intonatie, detecteren
  • Vanaf de geboorte kunnen kinderen het verschil horen tussen ‘pa’ en ‘ba’ (segmentele kenmerken)
  • Laagfrequente geluiden zijn geruststellend, hoogfrequente geluiden veroorzaken onrust
  • Toename van een geluidsniveau van 0 tot 70 dB(SPL) in 1 s leidt tot een schrikreactie
  • Toename van 0 tot 70 dB(SPL) in twee seconden wekt nieuwsgierigheid op
  • Kort na de geboorte is een baby meer geïnteresseerd in bekende geluiden dan in onbekende geluiden.

Toelichting:
Het kunnen discrimineren van segmentele kenmerken, zoals het verschil tussen [ba] en [ga], heeft men kunnen vaststellen door het detecteren van veranderingen in de frequenties van de hartslag en van de zuigbeweging. Men liet de baby’s aan een bepaalde klank wennen en gaf dan plotseling een andere. Waarschijnlijk hebben deze klanken voor de baby nog niet de betekenis die een volwassene er aan toekent. Ze worden waargenomen zonder dat er op cognitief niveau iets gebeurt. Men kan bij deze jonge kinderen spreken van een ongedifferentieerd ervaren van geluid. Via dit ervaren hebben ze contact met de wereld om hen heen. Ze reageren alleen wanneer de geluidsomgeving verandert.


De indruk bestaat verder dat discriminaties als tussen [ba] en [ga] op een linguïstisch relevante manier plaats vinden. Maakt men een continuüm van klanken, geleidelijk overgaand van [ba] naar [ga], op basis van de fysische karakteristieken, dan vindt geen discriminatie plaats binnen de categorieën [ba] zowel als [ga], maar wél er tussen. Uit bovenstaande zou men kunnen concluderen dat de waarneming van deze baby's in de kern niet wezenlijk anders is dan die van volwassenen. Er is kennelijk al categorale waarneming.


Gehoor en taal/spraak ontwikkeling
Vanaf het allereerste begin speelt het gehoor een belangrijke rol bij de taal/spraak ontwikkeling. Al snel na de geboorte ontwikkelt het horen zich in de richting van het herkennen van taalspecifieke kenmerken. Een baby komt op de wereld met een ‘basispakket’ van discriminatiemogelijkheden dat niet taalspecifiek is. Het basispakket is op alle talen toepasbaar en de baby is dus wat betreft het horen overal ter wereld ‘inpasbaar’. Onder invloed van het horen van de taal van de omgeving verdwijnt vanaf de tweede helft van het eerste levensjaar de gevoeligheid voor andere kenmerken dan die van de omgevingstaal. Het is dus duidelijk dat er sprake is van een leerproces.


Vanaf ongeveer zeven maanden leert een kind geluiden te associëren met een betekenis. Het gaat dan geluiden onthouden - als ze tenminste voldoende betekenis voor het kind hebben (cognitieve processen). Het is daarvoor noodzakelijk dat een geluid herhaaldelijk en in een (visuele) context wordt aangeboden. Tevens gaat het kind leren geluiden te lokaliseren en op zoek te gaan naar geluiden. Rond de negen maanden zijn kinderen in staat reflexmatig het hoofd te draaien in de richting van een aangeboden geluid (oriëntatiereflex). De duidelijkste reacties worden daarbij waargenomen op geluiden die door concrete voorwerpen worden geproduceerd (dus niet via luidsprekers worden aangeboden).


Vanaf de leeftijd van een jaar vindt een verdere uitbouw van de cognitieve processen plaats en leert het kind selectief te luisteren. Het is op dit punt dat de hoorontwikkeling van kinderen met een laag intellectueel niveau stagneert. Gedurende het hele eerste levensjaar treedt een sterke ontwikkeling van de luisterinstelling op. Op de leeftijd van twee jaar is de ontwikkeling van het horen (voor zover men dit als een onafhankelijk iets kan beschouwen) voltooid. Het kind kan dan aan zonder context aangeboden geluid betekenis toekennen.


Samenvattend, verloopt de ontwikkeling van het horen als volgt:


  • Ongedifferentieerd ervaren van het geluid van de omgeving
  • Reactie op herhaald aanbieden van geluid in een context
  • Associatie van geluid van een bron met andere stimulus aspecten (bv. visuele) van die bron
  • Opbouw, in het brein, van een representatie van gehoorindrukken en beelden
  • Multisensorische herkenning van geluid producerende voorwerpen
  • Identificatie van geluidbronnen op basis van alleen de akoestische karakteristieken

Het zal duidelijk zijn dat in het verloop van de ontwikkeling het centrale auditieve systeem meer en meer invloed krijgt op het horen. Top down processen gaan zich mengen met bottom up processen. Het horen gaat zich onafhankelijk gedragen van de andere zintuigmodaliteiten en ontwikkelt zijn eigen identificatiemogelijkheden.


Invloed van slechthorendheid
Zoals reeds opgemerkt wordt de normale ontwikkeling van het horen verstoord wanneer een gehoorverlies aanwezig is of ontstaat. Late ontdekking van een gehoorstoornis bij kinderen betekent niet alleen een bedreiging voor hun taal- en spraakontwikkeling, maar ook voor hun sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling. Problemen doen zich echter niet alleen voor bij ernstige, blijvende vormen van slechthorendheid. Ook kinderen met een tijdelijk gehoorverlies lopen een risico. Onderzoeken hebben aannemelijk gemaakt dat er verband bestaat tussen lichte, veelal wisselende, gehoorverliezen op zeer jonge leeftijd en taal- en schoolachterstanden op latere leeftijd.


Een andere factor van belang is de relatie van het kind (baby) met de ouder(s) of verzorger(s). Problematische relaties kunnen remmend werken op de ontwikkeling van het horen en dus op de spraak- en taalontwikkeling. Verder spelen de cognitieve mogelijkheden en de sensomotorische ervaringen van het kind een rol. Tenslotte zal duidelijk zijn dat een beperkt taalaanbod en onvoldoende uitdaging vanuit de omgeving remmend zullen werken op de ontwikkeling van het horen.


 


8.4.1.3(2). Ontwikkeling van de oriëntatiereflex

De meest gebruikte reflex bij het beoordelen van het gehoor van een baby is de oriëntatiereflex. De oriëntatiereflex houdt in dat een jong kind reflexmatig het hoofd draait in de richting van een geluidsbron. Daarmee heeft het kind de mogelijkheid zijn omgeving te leren kennen. Koppeling van zintuiglijke informatie is hierbij van belang. De verwerking van binaurale informatie en de daarmee samenhangende lokalisatiemogelijkheden ontwikkelen zich conform andere auditieve vaardigheden. Een steeds preciezere codering van de informatie gaat vooraf aan de vaardigheid deze informatie te gebruiken en daarmee het gedrag te sturen. Onderzoek heeft aangetoond dat er direct na de geboorte lokalisatie is voor hard breedband geluid van voldoende duur. Dit lokaliseren verdwijnt echter in de maanden daarna, tot zich de eigenlijke oriëntatiereflex ontwikkelt vanaf de vierde levensmaand in de vorm zoals weergegeven in Fig.2. Geleidelijk neemt ook het geluidsniveau af waarbij de reflex opgewekt kan worden (Tabel II). Vanaf de zevende maand is de reflex sterk genoeg om voor gehooronderzoek gebruikt te worden. Dat blijft meestal zo tot een ontwikkelingsleeftijd van ca. twee jaar. De optimale periode is 9 -12 maanden.


Fig.2. Ontwikkeling van de oriëntatiereflex als gevolg van rijping. Figuur, na modificatie, ontleend aan Northern and Downs, 1991. Zie ook Tabel II.


Figuur Leeftijd (maanden) Sterkte geluid (dB SPL)
A 0–4 90 (in ruis)
50–70 (in stilte)
B 3–4 50-60
C 4–7 40–50
D 7–9 30–40
E 9–13 25–35
F 13–16 25–30
G 16–21 25–30
H 21–24 25

Tabel II. Afname van het geluidsniveau waarbij de oriëntatiereflex opgewekt kan worden in de situaties A-H in Fig.2. De aangegeven sterktes zijn bij benadering en hangen nog af van het soort geluid dat gebruikt wordt om de reflex op te wekken. Ze gelden voor vrije veld stimulatie. Weergegeven zijn hier de waarden voor smalband-stimuli, zoals NB-ruis en FM-tonen (warble). Voor klinisch gebruik van deze gegevens wordt verwezen naar Hfdst. 8.4.2(2), Par.4.


Andere reflexen
Wanneer de oriëntatiereflex nog niet gebruikt kan worden, zoals bij de beoordeling van het gehoor van zeer jonge kinderen, zijn er andere reflexen die benut (kunnen) worden (bij stimulatie met geluiden van 75-90 dB HL - Relke& Frey, 1966):


  • Ademhalingsreflex: de ademhalingsfrequentie verandert, maar moet dan wel binnen 5-10 seconden weer stabiliseren.
  • Auropalpebrale reflex (APR): open oogleden worden snel en stevig dichtgeknepen.
  • Bewegingsreflex: hevige beweging na een rustige periode.
  • Huilreflex (schreeuwen): het gezicht van het kind laat zien dat het geluid onaangenaam was en het kind zal daarna spoedig huilen/schreeuwen
  • Verbazingsreflex: huilen en lichaamsbeweging stoppen alsof het kind zich afvraagt: ‘wat gebeurt er?’
  • Ontwaakreflex: de ademhalingsfrequentie neemt toe, het kind begint te bewegen, wordt wakker en opent de ogen

 


8.4.1.4(2). Kritieke periodes

De ontwikkeling van een kind is gebaseerd op leerprocessen. Een kind moet leren horen, leren zien, leren spreken enz. Deze leerprocessen gaan gepaard met een toename van zowel het aantal als de specificiteit van de neuronen in de hersenschors. Men spreekt hier van ‘rijping’ (‘maturation’). Deze toename vindt alleen plaats wanneer men geluid en beelden aangeboden krijgt en er op deze gebieden een interactie met de omgeving kan ontstaan. Voor elk zintuigsysteem bestaat er een kritieke periode is waarin stimulatie moetplaatsvinden wil er ontwikkeling zijn. Ontbreekt deze ontwikkeling, dan blijft het zintuigsysteem definitief in een meer of minder rudimentaire staat. Het bekendste voorbeeld is het leren spreken. Een ander voorbeeld is de hoornvlies-(cornea-) transplantatie. Heeft men vanaf de geboorte een cornea defect en wordt dit niet verholpen, dan leidt transplantatie op latere leeftijd tot geen enkele verbetering. Na een defect op latere leeftijd is transplantatie geen enkel probleem.


De invloed van hoorervaringen op de ontwikkeling van het auditief systeem is het grootst tussen 24 weken en 18 – 28 maanden na de geboorte. Voor ‘basale’ functies is vroege stimulatie essentieel, voor ‘hogere’ functies is er een langer ‘window of opportunity’. Zodra de mogelijkheid voor een bepaalde ontwikkeling er is moet er adequaat (d.w.z. passend bij de ontwikkelingsleeftijd) gestimuleerd worden. Voor ‘hogere’ functies is meer en geschikte stimulatie waardevol, voor ‘basale’ functies is een minimale prikkeling al voldoende.


Wanneer de kritieke periode niet wordt benut zal ook de spraak-/taalontwikkeling, die sterk afhankelijk is van een goede auditieve taalinput in het eerste levensjaar, ernstig bemoeilijkt worden. De normale spraak- en taalontwikkeling wordt vanaf het zesde levensjaar geleidelijk aan afgesloten.


 


8.4.1.5(2). Meetmethoden

Van elk van de in het voorafgaande genoemde reflexen kan gebruikt gemaakt om een indruk te krijgen van het gehoor van een zeer jong kind, aanvankelijk slechts in zeer algemene zin. Observatie van een kind bij aanbieding van geluid in een gestructureerde situatie biedt toch mogelijkheden de gehoorscherpte te schatten. Naarmate het kind ouder wordt en gebruik kan worden gemaakt van de lokalisatiereflex worden de resultaten nauwkeuriger en betrouwbaarder. Wanneer een conditioneringprocedure toepasbaar is, en met koptelefoon of inserttelefoons kan worden gemeten, kunnen oorspecifieke uitkomsten worden verkregen.


Naast de elders besproken objectieve testen van het gehoor (BERA, TEOAE, DPOAE) hebben de verschillende meetmogelijkheden geresulteerd in de volgende reeks meer of minder geprotocolleerde subjectievetests:


  1. BOA (‘Behavioural Observation Audiometry’) – alleen observatie, geen conditionering; tot 6 maanden - zie Hfdst.8.4.2
  2. CORA (‘Conditioned Orientation Reflex Audiometry’) of Methode Ewing – conditionering gebaseerd op oriëntatiereflex; van 7 tot 24 maanden - Hfdst.8.4.3
  3. VRA (‘Visual Reinforcement Audiometry’) – conditionering gebaseerd op associatie van een geluid met het activeren van een visuele bekrachtiger; van 6 tot 24 maanden - Hfdst.8.4.4
  4. Spelaudiometrie – audiometrie in spelvorm op basis van conditionering op toonstimuli; vanaf twee jaar - Hfdst.8.4.5.

Al deze tests zijn doorgaans een vervolg op de (negatieve) uitkomsten van de gehoorscreening enkele dagen na de geboorte m.b.v. OAE’s (Hfdst.8.2.2).


Van deze reeks is de uitkomst van de spelaudiometrie te beschouwen als een drempelbepaling vergelijkbaar met de manier waarop die bij volwassenen wordt uitgevoerd, al is de drempelwaarde voor deze leeftijdscategorie nog 10 à 15 dB boven de waarde voor volwassenen. De resultaten worden genoteerd in een audiogramformulier. De uitkomsten van de overige tests worden niet in een audiogram formulier genoteerd omdat men hiermee bij deze jonge kinderen geen gehoordrempel, maar een reactiedrempel meet. Deze reactiedrempel kan met behulp van een correctiefactor omgezet worden in een schatting van de gehoordrempel. Een uitzondering hierop is de uitkomst van de VRA als die uitgevoerd wordt met koptelefoon of inserttelefoons.


In de leeftijdscategorie 6 tot 24 maanden valt te kiezen uit twee onderzoeksmethodes. Beide methodes hebben hun voor- en nadelen. Voor toepassing van de VRA is een noodzakelijke voorwaarde dat het kind conditioneerbaar is. CORA(Ewing) wordt doorgaans in een vrije veldsituatie uitgevoerd met ‘live’ presentatie van de stimuli en sociale beloning wat voor de meeste kinderen goed werkt, zeker als de oriëntatiereflex sterk is rond de eerste verjaardag. Er kan echter ook gewerkt worden met presentatie van de testgeluiden via luidsprekers en beloning met visuele beelden op monitoren aan weerszijden van het kind. Een dergelijke opstelling geeft de mogelijkheid CORA en VRA met dezelfde technische uitrusting uit te voeren.


Naast bovengenoemde onderzoeksmethodes die klinisch toegepast worden, zijn er meetmethoden die tot nu toe vrijwel uitsluitend gebruikt worden bij wetenschappelijk onderzoek. Voor meer informatie zie http://www.ned-ver-audiologie.nl/.../Hoekstra.compressed.pdf of http://www.audiologieweb.nl/.../Hoekstra.compressed.pdf.


 


Literatuur

  1. Bailey DB, Bruer JT, Symons FJ and Lichtman JW (eds). Critical thinking about critical periods. Paul H. Brooks, Baltimore, 2001.
  2. Boothroyd A. Auditory development of the hearing child. Scand.Aud.Suppl. 46 : 9-16, 1997.
  3. Brokx JPL, Snik AFM. Ontwikkeling van het gehoor. Stem- Spraak Taalpathologie Afl.8 (1999).
  4. Carney AE. Bridging the Gap between Developmental Psychoacoustics and Pediatric Audiology. In: Developmental Psychoacoustics, Werner LA, Rubel EW (Eds), APA Science Volumes Washington DC, 1992.
  5. Clifton RK. The development of spatial hearing in human infants. In: Developmental Psychoacoustics, Werner LA, Rubel EW (Eds), APA Science Volumes Washington DC, 1992.
  6. Downs MP and Yoshinaga-Itano C. The efficacy of early identification and intervention for children with hearing impairment. Pediatricclinics of North America, 46 (1): 79-87, 1999.
  7. Feagens LV. Sanyal M, Henderson F, Collier A, Appelbaum M. Relationship of middle Ear Disease in Early Childhood to Later Narrative and Attention Skills. J Pediatric Psychology 1987;12:581-594.
  8. Kuhl P. Psychoacoustics and Speech Perception: Internal Standards, Perceptual Anchors, and Prototypes. In: Developmental Psychoacoustics, Werner LA, Rubel EW (Eds), APA Science Volumes Washington DC, 1992.
  9. Kuhl P. Early Language Acquisition : Cracking the Speech Code. Nature Neuroscience 2004; 831-843.
  10. Mampe B, Friederici AD, Cristophe A, Wermke K. Newborns’Cry Melody is shaped by their Native Language. CurrentBiology 19: 1994-1997, 2009
  11. Northern J and Downs M. Hearing in Children. Williams &Wilkins , Baltimore, 1991.
  12. Olsho LW, Koch EG, Halpin CF, Carter EA. An Observer-Based Psychoacoustic Procedure for Use With Young Infants. DevelopmentalPsychology 1987; 627-640.
  13. Parncutt R. Prenatal development. In : The child as musician : a handbook of musical development McPherson (ed.), Oxford UP 2006; 1-31.
  14. Relke W, Frey HH. Hearing studies in newborn infants by means of hearing reflex tests. Z LaryngolRhinolOtol 1966;45 ;706-21 (in het Duits).
  15. Ridder-Sluiter JG de. De. Vroegtijdige onderkenning van communicatieve ontwikkelingsstoornissen; Ontwikkeling en evaluatie van het VTO-taal signaleringsinstrument voor 0-3-jarigen.Proefschrift, Leiden, 1990.
  16. Sanders DA. Aural Rehabilitation - A Management Model. Prentice Hall, Inc. New Yersey, 1982.
  17. Schneider BA and Trehub SE. Sources of Developmental Change in Auditory Sensitivity. In: Developmental Psychoacoustics, Werner LA, Rubel EW (Eds), APA Science Volumes Washington DC, 1992.
  18. Simkens MHF. Ontwikkeling van de gehoorfunctie in relatie tot spraak en taal. Stem-Spraak-Taalpathologie Afl.4 (1998).
  19. Teller DY. The forced-choice preferential looking procedure : A psychophysical technique for use with human infants. Infant Behaviorand Development 1979; 2: 135-153
  20. Weir C. Auditory frequency sensitivity of human newborns. Some data with improved acoustic and behavioral controls. PerceptPschycophysics 1979, 26: 287-294.
  21. Werner LA, Folsom RC, Rickard Mankl L. The relationship between auditory brainstem response and behavioral thresholds in normal hearing infants and adults. Hearing Research 1993; 68 :131-141.
  22. Werner LA, Folsom RC, Rickard Mankl L. The relationship between auditory brainstem response latencies and behavioral thresholds in normal hearing infants and adults. Hearing Research 1994; 77 :88-98.
  23. Werner LA, Marean GC. Human Auditory Development. WestviewPress, Colorado, 1996.
  24. Wharrad HJ and Davis AC. Behavioural and autonomic responses to sound in preterm and full-term babies. British Journal of Audiology, 31: 315-329.
  25. Zinkus PW, Gottlieb MI. Patterns of perceptual and academic deficits related to early chronic otitis media. Pediatrics 1980;66,246-253.

© NVA leerboek 2000-2015 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie